 |
|
|
| |
 |
Licht in de boom
|
|
Om te zorgen dat een boom elk jaar weer appels produceert, moet de fruitteler de boom zorgvuldig "lezen". De boom bepaalt aan het einde van de oogsttijd hoeveel knoppen hij gaat aanmaken voor volgend jaar: aan de knoppen kun je zien wat volgend jaar bloemknoppen worden (en dus appels). Bij het snoeien in het voorjaar moet de teler ervoor zorgen dat de boom mooi "open" blijft, zodat het licht goed kan doordringen tussen de takken. Een andere truc die de fruitteler hiervoor gebruikt, is het ombuigen van de takken naar omlaag.
|
|
Dunnen
Na de bloeitijd komen in mei, juni de jonge vruchten aan de boom, maar dit zijn er veel te veel. Als deze allemaal zouden uitgroeien tot appels, heeft de boom geen energie over om nieuwe knoppen te maken voor volgend jaar. Daarom moet er "gedund" worden; de minder mooie appeltjes worden uit de boom gehaald, de mooie blijven hangen. In de gangbare landbouw gaat dit met een spuitmiddel, in de biologische landbouw handmatig. De boom stoot trouwens in juni ook uit zichzelf een deel van de kleine appeltjes af.
Oogsten
Voor elk appelras valt de oogsttijd op een ander moment. Appels die lang bewaard moeten worden, pluk je enigszins onrijp; want tijdens de opslag rijpen ze nog na. De zomerrassen zijn in augustus al rijp, andere rassen pas eind september, begin oktober. Bepaalde rassen zijn het lekkerst als je ze rijp plukt, en snel opeet. Andere rassen zijn pas op z'n lekkerst na een maand opslag. Het is in elk geval belangrijk dat een boom vroeger of later wordt geplukt, anders raakt hij uitgeput en zullen er in het volgend jaar nauwelijks appels aangroeien. |
|